Martelaar in een dubbelzinnige cultuur
Kees Fens, gepubliceerd op 9 februari 1998
Beknoptheid is zelden te overtreffen. In 1984 publiceerde de mediaevist Peter Dronke de overvolle studie Women Writers of the Middle Ages; A Critical Study of Texts from Perpetua (+ 203) to Marguerite Porete (+ 1310). In de eerste alinea van het eerste hoofdstuk wordt Perpetua geïntroduceerd. Alle feiten staan op bewonderenswaardig bondige wijze bij elkaar:
Vroeg in het jaar 203 werd in Cathago Vibia Perpetua, een vrouw van ongeveer tweeëntwintig jaar, gearresteerd, berecht en gevangen gezet; op 7 maart werd zij ter dood gebracht. Zij werd beschuldigd van burgerlijke ongehoorzaamheid: als christen weigerde zij een verplicht Romeins offer ter ere van de keizer te brengen. Op het ogenblik van haar arrestatie was zij nog niet gedoopt; zij kreeg onderricht in het geloof als catechumene. Zij was van voorname huize, goed opgevoed en in ere getrouwd; haar ouders leefden beiden nog; zij had tenminste twee broers, van wie er een, als zij, catechumeen was. Tijdens haar gevangenschap voedde zij zelf haar zoontje. Over haar echtgenoot is niets met zekerheid bekend.’
Alle levensbijzonderheden komen uit een hagiografisch geschrift - geschreven door een tijdgenoot - dat Passio SS. Perpetuae et Felicitatis heet, ‘Het lijdensverhaal van de heiligen Perpetua en Felicitas’. Binnen die hagiografie is een geschrift van Perpetua zelf opgenomen, over haar gevangenschap, de strijd met haar vader, en met de beschrijving van de dromen en visioenen die zij in de gevangenis had. Die tekst is het voorwerp van Dronkes schitterende studie. De grote Erich Auerbach was hem in 1958 voorgegaan. In zijn Literatursprache und Publikum in der lateinischen Spätantike und im Mittelalter schrijft hij enkele zeer indringende bladzijden over de taal van de Passio - een volkser Latijn dan men van een goed opgevoede vrouw zou verwachten - en over het genre dat met dit geschrift ontstaat. Dat men de Passio met zijn verlangen naar het martelaarschap en de bijna vrijwillige keuze ervoor aan Tertullianus, de radicaal uit de oude kerk en de eerste vroeg-christelijke auteur die in het Latijn schreef, heeft toegeschreven, is niet verwonderlijk. Hij was een tijdgenoot van Perpetua en woonde ook in Carthago. Dronke en Auerbach schreven literaire studies. Dronke legt vooral de nadruk op het persoonlijke karakter van Perpetua’s eigen tekst. Die wil niet meer zijn dan een verslag; het verhaalde is allerminst exemplarisch bedoeld, onderdelen ervan zijn ook niet symbolisch, zoals latere oud-christelijke commentatoren de tekst wel interpreteerden. Hij wil en kan over de eeuwen heen haar stem horen. Literaire of theologische pretenties zijn de tekst vreemd. Dat maakt hem ook uniek. De ook door latere commentatoren gegeven symbolische interpretaties van onderdelen - en dromen en visioenen, met hun ongewone beelden vaak, verleiden gemakkelijk tot dergelijke interpretaties - wijst hij af. Toch wordt bij hem de Passio enigszins geïsoleerd behandeld; er is wel een nieuw kader: dat van de vrouwelijke schrijvers. Perpetua is de eerste, maar juist die pioniersplaats haalt de Passio enigszins los uit de historische en culturele context; het unieke lijkt als vaker geen wortels, laat staan invloeden te kennen. Daardoor wordt de tekst haast even eenzijdig christelijk als hij door de traditie is gemaakt. Juist de visioenen blijken een dubbelzijdig karakter te hebben, een dubbelzinnig zelfs. En dat geldt voor grote delen van het ‘kaderverhaal’ van de onbekende auteur ook.
Te gemakkelijk misschien wordt soms het Romeins-heidense tegenover het christelijke gesteld. Misschien is de allermooiste dubbelzinnigheid deze: Perpetua wordt op de verjaardag van de zoon van de keizer met haar gezellen voor de wilde dieren gegooid. Zij worden, voor de Romeinen en Cathagers, geofferd voor het welzijn van de keizerszoon, het rijk en zijn bewoners. Het hele gebeuren in de arena had een semi-religieus karakter. Tegelijkertijd offeren Perpetua en de anderen hun leven aan God voor het welzijn van de christelijke gemeenschap in een voor hen heilige gebeurtenis. Een en hetzelfde wordt op dubbele wijze beleefd. En wanneer het martelaarschap de vervulling is van het verlangen naar het goddelijke, is dat de christelijke keerzijde van een algemeen verlangen naar het goddelijke, dat de Romeinse cultuur van de eerste eeuwen van onze jaartelling kenmerkt.
De vroege christenen kwamen met hun boodschap in een gevestigde cultuur, waarin zij vaak zelf deelden. In een gevestigde religie ook. Dat was die van het veelgodendom, en dat betekent ook de wijding van plaatsen aan één speciale god of godin. De Romein bewoog zich van heilige ruimte naar heilige ruimte. En alle goden en godinnen werden offers gebracht. Men kan zeggen dat die goden immanent waren, want gebonden aan een plek of tempel. Wanneer nu de keizer, hoofd van dat immense rijk, vergoddelijkt wordt, ontstaat een transcendente godheid. Maar dat niet alleen: er ontstaat ook een eenheid tussen die godheid en het rijk zelf. Niet aan de keizer offeren is ook de gemeenschap van dat rijk tekort doen. En offeren voor het welzijn van de keizer is offeren voor het welzijn van het rijk en dus eigen welzijn.
Dat transcendente of het verlangen daarnaar wordt ook zichtbaar in het verlangen naar het goddelijke, wat zich onder meer uit in mysteriegodsdiensten, maar dat ook aan te wijzen is in Hellenistische filosofische richtingen. Verlangen naar het goddelijke is het verlangen naar het opgaan daarin.
In wat meer heilshistorie dan geschiedenis was, leerden wij vroeger dat, toen de verkondiging van het christendom begon, de wereld maximaal open lag door de grote heirwegen die door de Romeinen waren aangelegd. De Romeinen als de wegbereiders van God! Het is mogelijk te zeggen dat het christendom met zijn transcendente ene God, zijn eindtijdvisie en daarop volgend overgaan van allen naar de goddelijke wereld, met het bloedig offer van Christus waardoor God zich liet verzoenen en het welzijn voor iedereen was gegeven, met zijn sterk extatische en charismatische bijeenkomsten, in de Romeinse wereld als het ware de blauwdruk van zichzelf vond (of omgekeerd: de ‘heidenen’ konden in het christendom de blauwdruk van hun eigen religiositeit ontdekken). Juist doordat de twee zoveel op elkaar leken, konden het Romeinse rijk en het christendom elkaar veroordelen, want de bedreiging van de een door de ander doorzien. Maar het is bij zoveel gelijkheid ook begrijpelijk dat het een in het ander werd uitgedrukt en dat één gebeurtenis een dubbelzinnige betekenis kan hebben.
Uit die dubbelzinnige wereld komen de hagiografie van Perpetua en de teksten van haar visioenen. Misschien is dit veelzeggend: wanneer Saturus, een van de lotgenoten van Perpetua, onder het bloed door de beet van de luipaard, in de arena ligt, roept het volk: ‘Goed gewassen! Goed gewassen’ Een wens die bij de uitgang van de badhuizen werd geuit. Inderdaad, goed gewassen, want voor de hagiograaf wordt het gewassen worden in het boed onmiddellijk: het gedoopt worden. De nederlaag is ogenschijnlijk, ze is een overwinning. En het bloed van de martelaren zal het zaad van het christendom worden. Dat wist hij ook.
Het ‘lijdensverhaal’ van Perpetua krijgt een indrukwekkende historische situering in de studie van de Amerikaanse mediaeviste Joyce E. Salisbury, Perpetua’s Passion; The Death and Memory of a Young Roman Woman. De titel is misschien iets te smal, want de geestelijke wereld van de tweede eeuw krijgt in het boek haar dubbele gestalte. In een onderzoek naar de persoon van Perpetua, niet zoals die was - dat weten we niet - maar zoals die zou hebben kunnen zijn. Men kan zeggen, dat de gegevens over haar leven - het simpele ‘goed opgevoed’ bijvoorbeeld - veralgemeend worden. Beschreven wordt wat zij gemeenschappelijk moet hebben gehad met andere vrouwen: de wereld, de familieverhoudingen, de godsdienst, de maatschappij waarin zij leefden. In het eerste hoofdstuk wordt ‘Rome’ opgeroepen: de godsdienst der Romeinen in het bijzonder. Maar ook het milieu en de tradities waarin Perpetua opgroeide. Men kan zeggen dat wat bij de contemporaine lezers bekend kon worden verondersteld, hier wordt beschreven. Juist in die beschrijving van de maatschappelijke en religieuze Umwelt van Perpetua, wordt het revolutionaire, het uiterst radicale ook van het christen-worden zichtbaar. De keizer wordt als God ontkend, de vader als pater familias met alle gezag van dien, het moederschap zelfs, de gemeenschap, ook die van het rijk waartoe men behoort. Maar wat misschien het scherpst zichtbaar wordt, is de absoluutheid van het christendom, het bijna geëxalteerde verlangen naar de dood en dus naar de vereniging met God.
In het tweede hoofdstuk krijgt Carthago gestalte. De stad is Romeins, maar onder die beschaving ligt de oudere cultuur, ook in oudere vormen van de religie. Veel nadruk ligt op het brengen van mensenoffers, terwille van het algemeen welzijn, op het plegen van zelfmoord, ook ten bate van anderen. De wreedheden in de arena - het voor de leeuwen gooien van de christenen, zal ik maar zeggen - krijgen hun historisch en religieus kader. (Als Perpetua de wat onhandige beul de plaats wijst waar hij haar keel moet doorboren, lijkt zij in de traditie van het zelfmoordoffer te werken.)
De hele cultuur-, maatschappij- en godsdienstgeschiedenis is bedoeld om de samengestelde gestalte die Perpetua per se was, op te roepen. In de analyse van haar tekst zal blijken hoe sterk Romeins-klassieke, bijbelse, maar ook Carthaagse sporen daarin aanwezig zijn, maar ook, hoezeer verschillende culturen gelijke beelden gebruiken. Zij schrijft als de meervoudige die zij was. En tallozen waren als zij. In de geschiedenis van de ene wordt die van velen zichtbaar, persoonlijke geschiedenis wordt algemene geschiedenis. Dat laatste gebeurt heel goed in het derde hoofdstuk waarin de christelijke gemeenschap in haar eigen aard en in haar conflicten wordt beschreven.
In het vierde hoofdstuk staat de interpretatie van de dromen en visioenen van Perpetua centraal. Die is goed, maar misschien wat terughoudender dan de uitleg van Dronke en de karakteriseringen van Auerbach. Toch is dat vierde het kernhoofdstuk: in de interpretatie van de teksten wordt veel van het algemene, in de vorige hoofdstukken beschreven, zichtbaar, maar ook veel van wat nog komen moet: de marteling en de dood. Dit hoofdstuk is het meest persoonlijke: Perpetua is de hoofdfiguur.
Althans voor mij het meest onthullend is het vijfde hoofdstuk, dat The Arena heet. We krijgen een nauwkeurige reconstructie van de wrede spelen zoals die in het Romeinse rijk werden gehouden. De reconstructie betreft ook de rituelen van die spelen en daarin waren de toeschouwers nauw betrokken. Heel goed worden de tekens die verwijzen naar het religieuze karakter van de spelen, aangegeven. Luipaarden, leeuwen, beren - de meest gevreesde dieren - maar ook koeien werden op de ter dood veroordeelden losgelaten. Lang niet altijd werden de slachtoffers meteen gedood; een beul maakte dan het werk af. Soms waren de dieren onwillig en moesten zij tot hun dodelijk werk worden opgedreven. Ook de christenen moeten de messiaanse tijd, wanneer leeuw en lam zich naast elkaar zullen neervlijen, ver hebben geacht.
Het martelaarschap werd door velen als de uiterste vorm van christendom beschouwd. De dood als het bewijs dat een christen niet van deze wereld kan zijn. Dat uiterste idee - dat Tertullianus verkondigde - kan de hang naar het martelaarschap verklaren. De auteur legt de relatie niet, maar dat wat geëxalteerde verlangen naar bloed en dood (en ook daarmee gelijk worden aan de eerste martelaar, Christus) lijkt te corresponderen met het charismatische karakter van de vieringen in de christelijke gemeenschap, waarin glossolalie, tongentaal, en extasen veelvuldig voorkwamen - men kreeg de geest - en als bewijs van de aanwezigheid van de Heilige Geest werden gezien. In de volgende eeuwen verdwijnt die glossolalie, martelaren worden vereerde en voor de gelovigen bemiddelende figuren uit het verleden, de kerk wordt bestuurlijk en theologisch strakker: het geloof krijgt vorm, men kan ook zeggen: wordt Romeins.
In het laatste hoofdstuk wordt de nageschiedenis verteld. En daarin de plaats en functie van de graven van de martelaren in de oude kerk. En het belang van de teksten om de gebeurtenissen van eens voortdurend in het geheugen terug te roepen. Die teksten krijgen een welhaast heilig karakter. En de geschiedenis verloopt intussen bijna wetmatig: het ene Romeinse rijk met de God-keizer en de ene godsdienst, wordt onder Constantijn het ene rijk met de ene godsdienst, de christelijke. Alles wat voorafging, lijkt deze ommekeer, die men ook kan zien als een wonder van inpassing of omvorming, voor te bereiden. Alles lijkt het resultaat van de werking van de dubbelzinnigheid, waarin dezelfde vormen van een andere inhoud kunnen worden voorzien. De duivel heeft Beëelzebub uitgedreven, kan een anti-christelijke pessimist denken.
‘Dit is wat ik heb gedaan tot de dag voor de strijd (in de arena); als iemand over de gevolgen wil schrijven, - laat hij het doen.’ Dat zijn Perpetua’s laatste woorden. De wens is niet ijdel geweest. Een lange geschiedenis begint. De studie van Joyce E. Salisbury lijkt het einde ervan. Alles is nu gezegd. Voor even dan. Want de geschiedschrijving blijft altijd in beweging. Perpetua zag haar naam trouwens als voorteken; in het martelaarschap kreeg haar naam vervulling: voor altijd zou zij bij God zijn.
Joyce E. Salisbury, Perpetua’s Passion. The Death and Memory of a Young Roman Woman, New York/Londen: Routledge.