Janpeter Muilwijk: De Zendeling

Lezing door de kunstenaar Janpeter Muilwijk gehouden op het symposium  ‘Make me an offer’ op 15.01.2010. Locatie: Dominicaner Klooster Zwolle

De Zendeling

De zwevende, wandtapijt. 2009, courtesy Flatland Gallery. Particuliere coll.

De zwevende, wandtapijt. 2009, courtesy Flatland Gallery. Particuliere collectie.

De schilderijen moesten wel ergens over gaan, Ze moesten een belangrijke inhoud krijgen. Iets wezenlijks, niet alleen iets van mijzelf, maar: Het beeld als weerslag van míjn visie op het leven.

Ik zat op de academie; Ik kwam uit een links christelijk milieu. Mijn vader was net, na een late roeping, predikant geworden. Ik zocht naar mijn ‘taak’, de ‘zending’ van de beeldend kunstenaar. Die zending of zingeving, formuleerde ik zo:

De kunstenaar heeft de tijd en de verantwoordelijkheid om de cultuur te bezien en daar een commentaar op te leveren door middel van het beeld. Het beeld heeft een andere kwaliteit dan het woord. Het beeld kan de drager zijn van diepere, soms onbewuste lagen, die vaak niet kunnen worden uitgesproken.

Balancerende jongen, 2001. Particuliere coll.

Balancerende jongen, 2001. Particuliere collectie.

Naar mijn idee had het Modernistische denken in de beeldende kunst de mystificatie van het beeld bevorderd. De kunstenaar had zichzelf als ziener op een voetstuk gezet en de kunstwereld was ondoorgrondelijk geworden voor de niet ingewijde beschouwer. De idee - en de uitvoering daarvan, was vooral niet traditioneel maar moest visionair nieuw zijn.

De ‘K’unst deed geen moeite om de beschouwer in te wijden, ze nam voor een kleine elite de plaats van de religie in; Kunst was een middel om verdieping in het platte dagelijkse leven te bewerken.

Vanuit mijn christelijke opvoeding was dit geen gewenste invulling.

Bovendien raakte de ‘vondsten cultuur’, die van: ‘Het hoogste goed is de vernieuwing zelf’, uitgeput.

Het Modernisme maakte langzaam plaats voor het Postmodernisme van de volgende generatie. Die stroming gaf meer ruimte, de strengheid, het dogmatische van het Modernisme werd ingewisseld voor een alomvattende maar toch ook normatieve tolerantie. ‘Alles mag, er lijken geen regels te zijn’. De grenzen van de vernieuwing werden verruimd.

Man met schaapje, 1990. Particuliere collectie

Man met schaapje, 1990. Particuliere collectie

In die ontstane ruimte greep ik, begin jaren ‘80, terug op de oude schilderkunst. In Florence zag ik voor het eerst de schilderingen van de vroege Renaissance, vooral die van Giotto spraken me aan. Op die manier wilde ik kunnen schilderen.

Maar de huidige tijd vroeg wel om een ander soort inhoud dan kunst uit de Renaissance. Ik maakte ‘heiligenbeelden’ met goud en aureolen, niet om echte heiligen te verbeelden maar om die sfeer boven te halen. Eigenlijk wist ik nog niet precies waar ik het over wilde hebben, het was alleen de sfeer die me raakte.

De tolerantie van het Postmodernisme mocht dan in algemene zin voor de kunst gelden, ik was zelf allerminst bevrijd van het dogmatische denken.

Vanuit het protestantisme had ik een grote schroom voor het afbeelden van christelijke thema’s, laat staan van ‘het Heilige’. Maar ik voelde wel een drang om deze thema’s op een nieuwe manier aan de orde te stellen. Deze waarden waren de enige die van belang waren geweest in mijn opvoeding en ze riepen existentieële vragen bij mij op.

De christelijke ideeën móesten wel míjn schilder onderwerp worden.

Tuinslang, 2001. Particuliere collectie

Tuinslang, 2001. Particuliere collectie

De protestantse traditie van ‘het woord’ sloot veel beter aan bij de abstractie van het Modernisme dan bij de figuratie van het Postmodernisme. Maar de beeldtaal waarvoor ik warmliep, van Van der Weyden en van Van Eyck, van Giotto en van Fra Angelico, was die van de figuratie.

Deze figuratie is geen realisme maar geeft vorm aan de idee; en waar het religieuze beelden betreft, geeft ze beeld aan de overtuiging.

In zekere zin is dat toneelmatig; de beschouwer moet niet denken dat hij hier met de werkelijkheid van doen heeft. Hij krijgt een ‘tafereel’, ‘een toneeltje’ voorgeschoteld, waarbij hij, door het beeld te ontleden, dichter bij de inhoud kan komen.

In de hedendaagse kunst was er een taboe op de christelijke thematiek gegroeid. Het was onmogelijk om na het Modernisme deze onderwerpen serieus te nemen. Zo de christelijke thematiek nog aan de orde mocht komen, dan alleen op een schoppende-, een zich er tegen afzettende manier.

Gebed voor de maaltijd, 1997. Collectie kunstenaar

Gebed voor de maaltijd, 1997. Collectie kunstenaar

Hoewel ik me deze ongeschreven regels aantrok, kon ik er niet onderuit om toch te zoeken naar de ruimte om de christelijke vragen te verbeelden. Dit was immers míjn onderwerp. Het was me duidelijk dat de kunst zich niet leende om zending mee te bedrijven. Zeker na het Sovjet Realisme was elke ideologie taboe in de kunst. Maar omdat ik zelf allerlei vragen had bij de christelijke leer, werd het mijn manier om de onderwerpen niet als ’statements’ te poneren maar als ‘vragen’.

Guided tours, 2005. Particuliere collectie

Guided tours, 2005. Particuliere collectie

Was het een offer om de christelijke thema’s aan de orde te stellen?

De bijbelse offercultuur uit het oude testament, het offer van Christus en als gevolg daarvan de bevrijding van de noodzaak om zelf te offeren, riep vragen bij mij op. Ik kwam daar niet zo goed uit, vooral omdat er toch juist van de bevrijdde christen nogal wat offers werden gevraagd. Mijn ouders gaven altijd veel geld weg en riepen dan dat wij het zo rijk hadden, terwijl ik in verhouding tot mijn vrienden maar weinig te makken had.

De moraal van de christen vond ik vaak zo stevig, dat die mijn ontwikkelingsvrijheid en het vrije denken behoorlijk leek te beknotten. Door hierover te schilderen ontstond voor mij de ruimte om de moraliteit van de christelijke thema’s ter discussie te stellen.

Nu ik mijn werk op dit thema bekijk zie ik dat het offer vanuit die achtergrond in verschillende gedaanten voorkomt.

Ik zal, hapsnap door de tijd, een aantal voorbeelden laten zien en die kort bespreken:

Links: Verzoeking van Franciscus, 2002, Part. Coll. Rechts: Zelfbeheersing van S.F., 2002, Part. Coll.

Links: Verzoeking van Franciscus, 2002, Part. Coll. Rechts: Zelfbeheersing van S.F., 2002, Part. Coll.

Het morele offer: Ik maakte, als voorstudie voor een opdracht die de Minderbroeders Franciscanen mij hadden gegeven, dit tweeluik over Franciscus die zich in de doornen werpt als de seksuele aandrang hem te machtig werd.  Op de plaats waar zijn bloed vloeide gingen, volgens de overlevering, rozen bloeien.

Man met schaapjes, 2001, Aon kunstcoll.

Man met schaapjes, 2001, Aon kunstcoll.

De Man met schaapjes is een schilderij over de goede herder; Christus als deur van de schaapskooi, slechts drie schaapjes hebben het hok gevonden. Is het ‘de deur’ of zijn het de schaapjes die zich opofferen?

Scheiding tussen lam en bok, 1998, Particuliere collectie

Scheiding tussen lam en bok, 1998, Particuliere collectie

Dit werk gaat over de grote moeilijkheid van de scheiding tussen bok en lam, of tussen goed en kwaad. Is het de scheiding tussen de ongelovige en de gelovige?

Verstrikte bok, 1999, Particuliere collectie

Verstrikte bok, 1999, Particuliere collectie

de ‘Verstrikte bok’, mag dan vast zitten in de doorns, dit werk roept eerder medelijden met de bok op, dan blijdschap om het verstrikte kwaad. Het beeld refereert ook aan de verstrikte bok die plotseling in de struik vastzit als God ingrijpt nadat hij Abraham vraagt om zijn zoon Isaäk te offeren.

Schutterstuk, 2002-2003, Particuliere collectie

Schutterstuk, 2002-2003, Particuliere collectie

Dit is het schilderij: ‘Schutterstuk’, dat ik in opdracht maakte over ‘het offer van Sint Sebastiaan’. De martelaar als ‘lekker ding’ heeft hier vleugels van aarde. De anemonen, die daarop groeien, vormen schietschijfjes. De anemoon staat symbool voor het martelaarschap.

Reizigers, 1998, Collectie Rabobank Nederland.

Reizigers, 1998, Collectie Rabobank Nederland.

Jozef en Maria als reizigers met gecamoufleerde aureolen, trekkend door een landschap van stenen.

Vluchtelingen, 1998, Particuliere collectie

Vluchtelingen, 1998, Particuliere collectie

En na de geboorte van de verlosser, trekken ze als vluchtelingen door dezelfde woestenij. De verlosser brengt nog geen paradijs maar de woestijn. Jozef en Maria als vluchtelingen, staan hier voor de vluchtelingen van alle tijden.

Kindertotenlieder, 1998, Particuliere collectie

Kindertotenlieder, 1998, Particuliere collectie

De tekening  ‘Kindertotenlieder’ doet daar nog een schepje bovenop; de kindermoord van Bethlehem doet alle zoetsappigheid van de kerstplaatjes teniet. Tegelijk stelt deze onbegrijpelijke slachting en haar slachtoffers de gebrokenheid van alle tijden aan de orde.

en de laatste:

Man aan de deur, 2002, Collectie Zeeuws museum

Man aan de deur, 2002, Collectie Zeeuws museum

De ‘Man aan de deur’ die iets geeft en iets vraagt; een appèl doet, waar ik misschien liever niet aan wil. Dit is de eerste tekening in een serie portretten van gewone mensen, die zich aan je presenteren. Ik noem deze serie ‘Christusportretten’, ze gaan over de medemens waarin je, zo je wilt, het ‘aangezicht van Christus’ kan zien.

Hét symbool voor het offer,

Het lam, het ‘Agnus Dei’, is een thema dat ik vaak heb gebruikt. Het lam op een trapje komt uit een schilderij wat ik wilde maken over de annunciatie - de aankondiging aan Maria.

Om u inzicht te geven hoe een werk vorm krijgt, zal ik hier wat langer bij stil staan:

Aankondiging, 2001-2002, Particuliere collectie

Aankondiging, 2001-2002, Particuliere collectie

In dit schilderij ‘Aankondiging’, wilde ik onderzoeken wat dit verhaal te bieden heeft en of het mogelijk is om nu nog een sterk schilderij te maken met dit wellicht versleten onderwerp. De compositie is er één van een opklappend decor. Ik gebruik hier een axonometrisch architecten- perspectief, waarbij alle maten op te meten zijn. Als je dit in een schilderij hanteert, ontstaat er een verwrongen beeld. Op deze manier toont het slechts een illusie van de werkelijkheid en irriteert het, zoals de Christelijke thematiek dat gauw doet. Tegelijkertijd refereert het aan de schilderkunst van de Middeleeuwen en de vroege renaissance, waarin het perspectieftekenen nog niet goed was ontwikkeld.

We kijken door een deurpost, die met rode verf of bloed bestreken is, een eenvoudig huis binnen. In de voorruimte staat een meisje op blote voeten. Achter haar zie je toevallig een kruisraam. Een duif is zojuist op de vensterbank geland. Een halve figuur in witte kleding lijkt uit de achterruimte te komen, met in de linkerhand een witte lelie. De andere hand maakt een open, groetend gebaar. Het gezicht is (nog steeds uit gereserveerdheid om ‘het Heilige’ een gezicht te geven) door de deurpost half aan onze blik onttrokken. Het meisje raakt met haar vinger het agressief kleurende stuifmeel van de witte lelie.(Is het een bevruchting, hoe onbevlekt is de ontvangenis?) De duif werpt ondertussen alvast een matrouschka vormige schaduw op haar buik.

Het trapje onderin is er in de eerste instantie om compositorische redenen terecht gekomen, maar het trapje alleen was niet interessant genoeg. Er ontbrak een zingevend element aan. Dat het meisje het trapje nodig heeft gehad om de deurpost te bestrijken is een mogelijkheid. Moest er een schaaltje met ‘rode kleurstof’ op komen te staan? Ik heb gezocht naar een sterk element om de spanning onderin het schilderij op orde te krijgen: Er moest een lam op het trapje komen. Het lam maakt contact met de beschouwer, waardoor deze deelgenoot wordt aan dit intieme tafereel. Is dit ‘Het lam van God dat wegdraagt de zonde der wereld’ of het ‘Lam Gods dat verhoogd wordt’? of is het gewoon een huisdier van het meisje dat op het trapje klimt zoals dwerggeitjes dat op de kinderboerderij doen? Met deze vragen en referenties besluit ik het werken aan een schilderij. Er ontstaat door deze benadering, vanuit het vragen of het mogelijk is om nu nog iets over de Annunciatie te schilderen, een eigentijds schilderij dat mij nog steeds bevalt, omdat het blijft vragen en uitdagen om opnieuw naar archetypische beelden te kijken en de relevantie daarvan in ons denken te onderzoeken.

Na dit schilderij heb ik het thema van ‘Het Lam op de trap’ vaker gebruikt.  Ik laat nog een paar voorbeelden zien.

Lam op trapje, 2003, Collectie Zeeuws museum

Lam op trapje, 2003, Collectie Zeeuws museum

Lam op trapje. In deze tekening wilde ik kleur brengen. De vlammen die vanuit die beeldende behoefte ontstonden, gaven dit lam een scherpere inhoud; zijn het de vlammen van het brandoffer of is het heilig vuur?

Zwarte Madonna, 2007, Courtesy Flatland Gallery

Zwarte Madonna, 2007, Courtesy Flatland Gallery

Voor een groepstentoonstelling over ‘heiligen in de verkeerde huidskleur’  maakte ik deze Zwarte Madonna. Het thema, ‘de Heilige in de verkeerde huidskleur’ moest enige hilariteit oproepen. Kennelijk vraagt de hedendaagse kunst nog steeds om dit soort impulsen. Ik maakte géen hilarisch beeld maar een beeld over de bescheidenheid van Maria of de Vrouw in het algemeen.

Agnus Dei, 2005, Particuliere collectie

Agnus Dei, 2005, Particuliere collectie

Voor de tekening die ik over het ‘Agnus Dei’ wilde maken, zette ik een lam op een ladder. Bij de verbeelding van het wegdragen van de zonden, kwam ik uit op een doornenkroon die ‘toevallig’ als een aureool achter de kop van het lam geplaatst is. Dit gaf een veel te geladen- en bovendien een versleten beeld. Ik besloot om dit te verdoezelen door er een serie van doornenkronen van te maken, die samen een vlechtwerk vormen. De serie doornenkronen leverde veel meer associatiemogelijkheden op. Allereerst veroorzaakt deze verdoezeling een soort behangpatroon, ogenschijnlijk decoratief. Maar uiteindelijk visualiseert ze veel sterker het grote wereldleed dat complex en vervlochten is, dan de ene Christus doornenkroon.

mantel-marie

Ook in de Schutsmantel die ik voor ‘Onze Zoete Lieve Vrouwe van den Bosch’ maakte, heb ik het lam op een trapje gebruikt.

De mantel bestaat uit twee delen, de buitenmantel gaat over het leed in de wereld. Ik verbeeld dit met een patroon van distels, doornen, stenen en vuur, waartegen ‘de boetvaardige mens’ beschutting zoekt. De beschutting is te vinden onder de mantel in een tweede mantel. Daarop is een groot tafereel van naakten te zien, die onder de zegenende armen van Christus beschutting zoeken en samen gekleed worden door de buitenmantel. De naakten zijn nauwelijks te zien. Ik wilde een oecumenische mantel maken. De grote Christus wordt over het hoofd van het beeldje van de Zoete Moeder gedrapeerd, waarmee ik het schisma tussen protestanten en rooms katholieken over het belang van Christus en het belang van zijn moeder Maria, wilde opheffen.

Bij de tocht die het 14e eeuwse devotiebeeld elk jaar door den Bosch maakt, is door een  opening in de achterkant van de mantel een lam op een trapje te zien. Hier kan het publiek een stukje zien van het mysterie van de troost van de beschutting van het geloof. De naakten blijven bekleed.

Het heden,

Beperkt, 2009, Collectie Hogeschool Windesheim

Beperkt, 2009, Collectie Hogeschool Windesheim

Er dienen zich vragen aan in het dagelijkse leven. De grote bekende onderwerpen over angst, dood en liefde doen zich voor. Om de betekenis hiervan te doorgronden kan ik er maar het beste kunst over maken, dat is tenslotte mijn vak. Het zijn onderwerpen die zich in ieder leven aandienen, en daarmee breder zijn dan mijn eigen beleving.

Eigenlijk ben ik in mijn zoeken naar de zin van de kunst, niet ver verwijderd van de doelstelling waarmee ik mijn studie begon:

“De kunstenaar heeft de tijd en zelfs de verantwoordelijkheid om de cultuur waarin hij leeft, te bezien en daar een commentaar op te leveren door middel van het beeld. Hij heeft beeldende mogelijkheden om de ontwikkeling van het denken in een cultuur vorm te geven en hij vormt zo mede die cultuur”

Toch weet ik nu dat dit niet het hoofdmotief is om naar het atelier te gaan.

Het doodt de creativiteit om het maatschappelijke- of het kunsthistorische belang van de eigen kunst boven dat van de persoonlijke bevlogenheid te stellen. Dat veroorzaakt een krampachtige manier van werken, die ik gaandeweg ook opliep.

Ik werd ziek.

Toen ik voor mijn werk in Parijs was, kreeg ik knetterende hoofdpijn en mijn gezichtsvermogen raakte zo verstoord dat ik voortdurend tegen kleine mensen van links opliep. Ik had een herseninfarct gehad en een dode hoek in mijn gezichtsveld opgelopen.

Beschermengel, 2008, Collectie kunstenaar

Beschermengel, 2008, Collectie kunstenaar

In grote doodsangst kwam ik voor enige tijd op de ateliersofa terecht. Die werd zo heilzaam als de sofa van een psychiater. Ik kwam tot het inzicht dat ik ‘De Kunst’ een te groot-, een oneigenlijk belang had gegeven. Het maken van kunst bleek een soort verkapte doodsangst te zijn, een middel om aan de sterfelijkheid te ontkomen. Dit was te veel eer of beter gezegd: De eigen tekeningen bleken in deze hachelijke situatie geen enkele verlichting te geven.

De voortgang van mijn werk stond, door het slechte zien, op losse schroeven. Ik ontdekte dat het wezenlijke belang van het leven ligt in relaties met de ander, en niet in het maken van een bijzonder oeuvre. Ik moest bereid zijn om het kunstenaarschap op te offeren, zonder dat mijn leven aan zin zou inboeten.

In doodsangst kijk je jezelf aan en overzie je je leven. De rust kwam pas toen ik de kramp van het moeten presteren losliet.  Tijdens die revalidatie las ik de 25 jaar werkboeken door, die ik altijd had bijgehouden. Ik kwam daarin een ander tegen dan ik had verwacht; voor het eerst zag ik mijn diepe bevlogenheid. Ik zag ook dat ik, tegen de stroom van de hedendaagse kunst in, altijd over die wezenlijke relaties had gewerkt en dat die schilderijen en tekeningen gaandeweg inhoudsvoller en zachter waren geworden.

Eve before the fall, 2007, Courtesy Flatland Gallery

Eve before the fall, 2007, Courtesy Flatland Gallery

Vanaf het atelierbed heb ik een half jaar lang met een half oog naar de tekening ‘Eve before the fall’ gekeken. Ik had haar juist voltooid voor ik die beroerte kreeg. Ze begon me steeds meer te ontroeren. De onbeholpenheid van het beentje, de zachtheid van haar huid en de bloemetjes.

Mijn onderwerp, dat vanuit mijn vragen over het christendom was ontstaan, had zich vanzelf steeds meer ontwikkeld naar de diepste inhoud van dat christendom, de troost en de barmhartigheid.

De laatste groet, 2002, Collectie Museum voor religieuze kunst, Uden

De laatste groet, 2002, Collectie Museum voor religieuze kunst, Uden

De moeder, die op haar sterfbed haar kinderen zegent.

Sneeuwklokjes, 2006, Particuliere collectie

Sneeuwklokjes, 2006, Particuliere collectie

De meisjes met sneeuwklokjes, waarvan ik elk jaar in de lente een nieuwe versie maak. Ze bezingen de verwondering en de kwetsbaarheid van het leven.

Vriendentroost, 2006, Particuliere collectie

Vriendentroost, 2006, Particuliere collectie

De Vriendentroost van de mensen die om je heen staan als dat nodig is. Ik had het allemaal al gemaakt.

Toen ik daar lag dacht ik: ‘mocht het zo zijn dat ik weer genoeg kan zien om te werken, dan ga ik verder met het uitwerken van deze troostrijke zachtheid.’

De directie, 2008-2009, Particuliere collectie

De directie, 2008-2009, Particuliere collectie

Daar is nu al een hele serie nieuwe schilderijen, tekeningen en wandtapijten uitgekomen.

Mijn onderwerp keuze, waar ik als een ‘Jona- achtige zendeling’ niet onderuit had gekund. Die al die tijd over de vragen naar de oorsprong, het doel en de zin van het leven was gegaan. De noodzaak van het uitwerken van mijn eigen vragen, dat wat ik vaak als een offer had ervaren, blijkt nu geen offer te zijn maar een groot geluk.

Dit is mijn manier om oude / nieuwe beelden te maken, die mijzelf overkomen en verrassen.

Dank u voor de aandacht.

Janpeter Muilwijk Middelburg,

januari 2010

Reageer

* Verplichte velden