3. BLAASINSTRUMENTEN

Bij blaasinstrumenten wordt de toon opgewekt door de luchtkolom in het instrument/buis in beweging te brengen.
De toonhoogte wordt in principe bepaald door de lengte van deze luchtkolom: een langere kolom veroorzaakt een lagere toon dan een korte. (Hierbij maakt het niet uit of de buis van het instrument 'opgerold' is of niet.) Bij een trombone is dit verschijnsel duidelijk waar te nemen -alhoewel ook hier andere zaken meespelen-, bij andere blaasinstrumenten wordt de luchtkolom verlengd of verkort door de gaten in het instrument resp. af te dichten of te openen.

De eigenschappen van een blaasinstrument worden vooral bepaald door:

  • de mensuur: de verhouding tussen de wijdte en lengte van de buis: een instrument met een nauwe mensuur heeft doorgaans een boventoonrijkere klank en blaast gemakkelijker over in hogere boventonen dan een instrument met een wijdere mensuur.
  • de boring: het verloop van de doorsnede van de buis. Er zijn 3 mogelijkheden:
    1. cylindrisch: de buis is over de gehele lengte even breed:
    dwarsfluit, klarinet, trompet, trombone;
    2. conisch: de buis is bij het aanblaaspunt het smalst, en wordt naar het einde toe steeds wijder;
    hobo, fagot, saxofoon, hoorn, cornet, tuba.
    3. omgekeerd conisch: de buis is bij het aanblaaspunt het wijdst, en wordt naar het einde toe steeds smaller:
    barok-blokfluit, traverso.

Van minder invloed zijn:

  • de toonvorming c.q. manier van aanblazen, waarbij ook de vorm van het mondstuk een rol speelt;
  • het materiaal waarvan het instrument gemaakt is:
    een fluit kan gemaakt worden van zilver, hout, glas, ivoor of kunststof, maar zal in alle gevallen herkenbaar als een fluit klinken.

Traditioneel worden de blaasinstrumenten ingedeeld in 2 groepen naar gelang het materiaal waarvan ze over het algemeen gemaakt worden (werden).

3.1 Houten blaasinstrumenten

3.1.1 Fluiten

Bij fluiten ontstaat een toon doordat de luchtstroom tegen een rand of wig wordt aangeblazen. Als de luchtstroom goed gericht is, leidt dit tot een zeer snelle wisseling van de luchtdruk aan de rand: een trilling. Bepaalde trillingsfrequenties brengen de luchtkolom aan het resoneren en daardoor horen we een toon: de grondtoon, of -bij overblazen- een van de boventonen. (Welke trillingsfrequenties dit zijn, hoe en waarom dit gebeurt is een zeer uitgebreid akoestisch-natuurkundig verhaal.)
Bij dwarsfluiten wordt de luchtstroom door de lippen gevormd en tegen de rand van het mondgat in de buis gericht.
Een toon kan ook worden gevormd door het uiteinde van de buis 'rechtop' tegen de kin te zetten en tegen de rand te blazen, of tegen een inkeping in die rand. Blokfluiten zijn ontwikkeld uit dergelijke rechte fluiten: aan de buis is een kernspleet toegevoegd voor het vormen en richten van de luchtstroom; de rand waar de trilling ontstaat is het labium: de luchtstroom wordt als het ware 'voorgevormd'.
Gevolg hiervan is dat de toonvorming veel gemakkelijker is, maar minder goed te controleren: op een dwarsfluit heeft de speler veel invloed op vorm en richting van de luchtstroom, en daarmee de toon. Ook de toonsterkte is beter te beinvloeden: dit is de reden dat de blokfluit in de loop van de 18e eeuw in onbruik is geraakt.
De 'ombouw' van de traverso (een houten, omgekeerd-conisch geboorde dwarsfluit met hooguit een of 2 kleppen) tot het moderne, meestal metalen, cylindrisch-geboorde instrument met veel kleppen) is grotendeels gebeurd door de duitse fluitist en fluitbouwer
T. Bohm (1e helft vorige eeuw) en kwam voort uit de behoefte aan dynamisch-sterkere fluiten met een groter bereik.

Overzicht dwarsfluiten:

  • 'gewone' fluit
    notatie geschiedt in de G-sleutel en is klinkend, dwz: niet transponerend of oktaverend.

    cd (1K) Dwarsfluit

  • Piccolo
    klinkt een oktaaf hoger dan de 'gewone' fluit; notatie geschiedt in de G-sleutel en is oktaverend, dwz: de klank is een oktaaf hoger dan de notatie suggereert.

    cd (1K) Piccolo

  • Altfluit
    notatie geschiedt in de G-sleutel en is transponerend: de altfluit is een 'G-instrument': als de altfluit een (genoteerde) c speelt, klinkt er een g. De werkelijke klank is dus een kwart lager dan de notatie suggereert.
  • Basfluit
    notatie geschiedt in G-sleutel en is oktaverend: de klank is een oktaaf lager dan de notatie suggereert.

Tegenwoordig bouwt men de blokfluiten in 6 maten (koor):

  • sopraninoblokfluit in f
  • sopraanblokfluit in c
  • altblokfluit in f
  • tenorblokfluit in c
  • basblokfluit in f
  • contrabasblokfluit in c
De sopranino en de sopraan klinken een octaaf hoger dan de notatie in de vioolsleutel. De alt- en de tenorblokfluit worden klinkend in de vioolsleutel genoteerd. Soms, in ensemblestukken, worden de noten een octaaf lager geplaatst en, ter compensatie, een oktaveringsteken boven de vioolsleutel gezet. De basblokfluit wordt in de bassleutel een octaaf te laag genoteerd. De blokfluit is door veel hedendaagse componisten volledig in ere hersteld.

3.1.2 Enkelriet-instrumenten

Klarinetten en saxofoons hebben een mondstuk waartegen het riet(blad) is bevestigd. De toon ontstaat doordat de ademdruk het riet van het mondstuk blaast, en de tegendruk van de lippen dan zo groot wordt, dat het weer naar het mondstuk toeslaat.
De klarinet heeft een bijna volkomen cylindrische boring en een vrij nauwe mensuur, de saxofoon heeft een conische boring en een wijde mensuur.
Klarinetten zijn over het algemeen recht van vorm, saxofoons gebogen met een beker.
Uitzonderingen: de basklarinet heeft de vorm van een saxofoon, de sopraansax van een klarinet.
Notatie geschiedt altijd in G-sleutel.

Overzicht klarinetten:

  • kleine/piccoloklarinet (es): notatie is transponerend: de werkelijke klank is een kleine terts hoger dan de notatie suggereert.
  • klarinet (bes of a): de notatie is transponerend: de werkelijke klank is een grote secunde, resp. kleine terts lager dan de notatie suggereert.
  • basklarinet (bes): de notatie is transponerend: de werkelijke klank is een grote none lager-vanwege de G-sleutel- dan de notatie suggereert.

klarinetten_transp (39K)

cd (1K) klarinet

Overzicht saxofoons:

  • sopraan (bes): notatie is transponerend: de werkelijke klank is een grote secunde lager dan de notatie suggereert
  • alt (es):notatie is transponerend: de werkelijke klank is een grote sext lager dan de notatie suggereert.
  • tenor (bes): notatie is transponerend: de werkelijke klank is een grote none lager dan de notatie suggereert.
  • bariton (es): notatie is transponerend: de werkelijke klank is een grote tredecime (=grote sext + oktaaf) lager dan de notatie suggereert.

cd (1K) Alt-saxofoon

cd (1K) Tenor-saxofoon

cd (1K) Bariton-saxofoon

3.1.3 Dubbelriet-instrumenten

Bij hobo's en fagotten bestaat het mondstuk in feite uit 2 op elkaar gebonden rieten. De toon ontstaat doordat de ademdruk de bladen van het riet van elkaar blaast,en de tegendruk van de lippen dan zo groot wordt, dat ze weer naar elkaar toeslaan.
De hobo heeft een conische boring en een tamelijk enge mensuur.
De fagot heeft een licht-conische boring, en een mensuur die enger is dan van de hobo.
Het instrument wordt aangeblazen door een S-vormig, smal buisje; kenmerkend is verder de als een haarspeld gevouwen buis, die uitmondt in een smalle klankbeker (het bovenste gedeelte van het instrument).

  • hobo: notatie geschiedt in G-sleutel en is klinkend.

    cd (1K) Hobo

  • althobo: notatie geschiedt in G-sleutel en is transponerend. De werkelijke klank is een reine kwint lager dan de notatie suggereert.
    NB: dit instrument wordt vaak 'Engelse hoorn' genoemd (!)

    cd (1K) Althobo

  • fagot: notatie geschiedt in F-sleutel en is klinkend.

    cd (1K) Fagot


3.2 Koperen blaasinstrumenten.

Bij koperen blaasinstrumenten ontstaat de toon doordat de lucht door de samengeperste
lippen wordt geblazen. De luchtdruk doet de lippen van elkaar wijken, maar ze veren door de spierspanning telkens terug; het proces is te vergelijken met het aanstrijken van een snaar. Als de frequentie van dit proces overeen komt met een van de eigen trillingen van de luchtkolom, spreekt de toon door de resonantie aan.

De lippen worden bij het vormen van de toon gesteund door een mondstuk. Hoorns hebben een diep, trechtervormig mondstuk, de overige koperen blaasinstrumenten een ondiep, ketelvormig.

cd (1K) Embouchure

3.2.1 Trompet

heeft een enge mensuur en een cylindrische buis, die in verschillende vormen kan zijn gevouwen of opgerold. Sinds de eerste helft van de vorige eeuw worden trompetten gebouwd met een ventielsysteem. Door het indrukken van een of meer van de 3 ventielen wordt de buis verlengd en dus de toon lager.
De meest gebruikte trompet staat in Bes; de notatie -in G-sleutel- is dus transponerend: de werkelijke klank is een grote secunde lager dan de notatie suggereert.

trompet (31K)

cd (1K) Trompet

3.2.2 Bugel (eng: Flugelhorn)

lijkt erg op de trompet, maar heeft een conische vorm met een relatief wijde mensuur. Daardoor is de toon wat warmer, zachter dan die van de trompet. Bugels kunnen echter niet zo hoog.
Notatie e.d. is gelijk aan die van de trompet.

3.2.3 Cornet

lijkt erg op de trompet, maar is eveneens conisch van vorm. De cornet spreekt gemakkelijker aan dan een trompet, maar is wat onzuiverder, ruiger van klank.
Notatie e.d. is gelijk aan die van de trompet.

3.2.4 Trombone

heeft vanzelfsprekend (!) een cylindrische buis en een nog engere mensuur dan de trompet. Door het uitschuiven van de buis wordt deze verlengd, en dus de toon lager. De bouw is sinds de Renaissance niet ingrijpend veranderd, alhoewel er ook trombones met ventielen zijn: deze zijn geschikter voor snel passage-werk e.d..
De 'normale' trombone is de oorspronkelijke tenortrombone: de notatie geschiedt in de F- sleutel en is klinkend. (Voor hoge tonen soms in de tenorsleutel: C-sleutel op de 4e lijn.)
De bastrombone wordt ook nog wel een enkele keer gebruikt. (Notatie is hetzelfde als bij tenortrombone.)

cd (1K) Trombone

3.2.5 Hoorn

verschilt van de trompet en trombone -behalve door het trechtervormig mondstuk- door de zeer enge mensuur aan het begin van de buis en de boring, die gedeeltelijk conisch en gedeeltelijk cylindrisch is. Daarbij is de klankbeker zeer wijd.
De meest gebruikte stemming is F. Tegenwoordig wordt meestal de dubbelhoorn gebruikt. Dit is een tenor- basinstrument met een omschakelventiel waarmee geschakeld kan worden van F- hoorn (laag) naar bes-hoorn (hoog).
In de vioolsleutel genoteerd klinkt het instrument een kwint lager, in de bassleutel een kwart hoger. Ook andere stemmingen komen voor, b.v. hoorn in E. De e-hoorn klinkt dan in de vioolsleutel een kleine sext lager, in de bassleutel een grote terts hoger. De hoorn maakt gebruik van de G- en F-sleutel en staat in F: de notatie is dus transponerend, dwz: de werkelijke klank is een reine kwint lager dan de notatie suggereert.
'Horns' (in het engels) wordt gebruikt als aanduiding voor de 'blazers' die (b.v.) aan een CD of optreden meewerken; indien een 'echte' hoorn bedoeld wordt, gebruikt men vaak de term 'French horn'.

hoorns (53K)

cd (1K) Hoorn

3.2.6 tuba

is in feite een grote -dus: lage- bugel: conisch van boring met een relatief wijde mensuur; wordt soms voorzien van een 4e ventiel en kan dus zeer laag.
De notatie geschiedt in de F-sleutel en is klinkend.

cd (1K) Tuba

cd (1K) Bastuba

3.3 Verandering van timbre

cd (1K) Youtube video

3.3.1 Dempers

Er zijn verschillende soorten, die verschillende effecten (= toonkleuren) te weeg brengen.
Ze zijn alleen bruikbaar op koperen blaasinstrumenten, vooral op trompet. Een hoorn kan ook met de hand 'gestopt' worden; dit is niet alleen van invloed op de toonkleur, maar ook op de toonhoogte: die kan een halve toon hoger (of lager) worden.

3.3.2 Fluttertongue/Flatterzunge

Dit is het uitspreken van een rollende -r- tijdens het blazen. Het veroorzaakt een wat raspend geluid, een wat 'beschadigde' klankkleur. Op fluiten veroorzaakt het een soort snel tremolo.

3.3.3 Glissando

is het 'traploos' glijden over intervallen. Op trombone kan dit over grote intervallen, op veel instrumenten kunnen glissandi over kleine intervallen gespeeld met het 'embouchure': stand ('grip') van de lippen op het mondstuk.


Vorige | Volgende