Hoofdstuk 1: Muziek in het Oude Griekenland en in de vroeg-christelijke kerk
1.3 Muziek in het vroeg-christelijke kerk
De vroeg-christelijke kerk nam sommige Griekse principes over, terwijl andere werden verworpen. Zo bestond er een afkeer van instrumentale muziek die klonk bij ‘heidense’ activiteiten zoals wedstrijden en feesten die als ‘onchristelijk’ werden gezien.

1.3.1 Vroeg-christelijke geschriften over muziek.
Voor vroeg-christelijke theologen (de zogenaamde kerkvaders) was muziek een prominent gegeven. Zij hingen het Griekse geloof aan dat muziek in staat is het karakter van de luisteraar te beďnvloeden (Ethosleer). Ook geloofden zij dat muziek dienstbaar zou moeten zijn aan religie. Toch is er twijfel bij bv. kerkvader Augustinus over de rol van muziek in de kerk:

  • 'Zo dobber ik tussen het gevaar van de lust en de ervaring van de heilzaamheid (van de muziek), en zonder ook maar een onherroepelijk oordeel uit te spreken, voel ik mij meer geneigd, de gewoonte van de kerk te zingen goed te keuren, opdat door het strelen der oren de te zwakke ziel tot innige godsvrucht zich verheefe. Wanneer mij echter overkomt dat de zang meer indruk maakt dan de gezongen tekst, beken ik dat ik strafbaar zondig ben en dan zou ik liever niet horen zingen'.

Boëthius (ca. 480–525) – een zeer invloedrijk man - onderscheid in zijn ‘De institutione musica’ 3 typen muziek

  1. Musica mundana: kosmische muziek (muziek der sferen) als reflex van harmonie in de macrocosmos. De 'musica mundana' is de onhoorbare muziek van de kosmische trillingen die sterren en planeten als het ware zoemend met elkaar in evenwicht houden. Deze 'muziek van de wereld' noemt men ook wel de harmonie der sferen. Boëthius geeft hierin de visie van Pythagoras door dat de ordening van de wereld gebaseerd is op de getallenleer. Sinds Pythagoras en Plato werd aangenomen dat de hele schepping onderworpen was aan dezelfde wiskundige harmonie (harmonia = wereldorde). Volgens deze theorie corresponderen de beweging van de sterren met de muzikale harmonie en de harmonie van de menselijke geest. Volgens deze opvatting is de musicus in de eerste plaats een kosmoloog. De zeven tonen van de toonladder (a,b,c,d,e,f,g) waren een uiting van de toonhoogten die werden voortgebracht door de draaiing van de zeven planeetbollen (sferen).
  2. Musica humana: de menselijke muziek die de microcosmos bepaalt, de eenheid tussen lichaam en geest. Alleen de heilige, vocale muziek die de mens met zijn stem maakt kan voor deze harmonie tussen lichaam en geest zorgen.
  3. Musica instrumentalis: hoorbare muziek, voortgebracht door de menselijke stem en instrumenten. De gezongen eenstemmige muziek zonder begeleiding is de 'muziek van de kerk' die in de eerste plaats van belang is voor de geloofsbeleving zelf en daarmee samenhangend de verheerlijking van Gods Woord in de heilige schrift. Daartoe was alleen de gezongen muziek geschikt. De instrumentale muziek vormde het symbool van de duivel, het kwaad en was daarom vrij lang verboden in de kerk (behalve het orgel). "Hij die muziek maakt of componeert wordt een beest genoemd omdat hij geen begrip heeft van de muziek" (Guido van Arezzo). Alleen de gezongen muziek kon het karakter en de moraal van de mensen gunstig beďnvloeden.
Volgens Martianus Capella (5e eeuw) in zijn 'De nuptiis Philologiae et Mercurii' was muziek een van de zeven vrije kunsten (artes liberales):
  1. Trivium: de 3 verbale kunsten (grammatica, dialectica, rhetorica).
  2. Quadrivium: de 4 mathematische kunsten (geometrie, arithmetica, astronomie, harmonieleer = muziek).
musica (82K)   Afbeelding uit ongeveer het jaar 1300 (Bibliotheek De Medici, Florence) met de drie typen muziek volgens Boëthius.

Van boven naar beneden:

  • musica mundana
  • musica humana
  • musica instrumentalis

Opmerkelijk is de rol van Maria (links), van boven naar beneden:

  • Maria geeft uitleg met aanwijsstok (musica mundana)
  • Maria maakt een zegenend gebaar (musica humana)
  • Maria heft bestraffend haar vinger op (musica instrumentalis)

vorige | volgende