Hoofdstuk 1: Muziek in het Oude Griekenland en in de vroeg-christelijke kerk
1.4 Gregoriaans
Terwijl het Christendom zich verspreidt, neemt het verschillende muzikale invloeden (o.a. Joodse en Griekse muziek) in zich op en brengt deze verder. Kernpunt is dat in de christelijke liturgie muziek altijd een rol heeft gespeeld.

  • Liturgie is een verzameling (Latijnse) teksten en riten die de structuur van kerkelijke eredienst vormen. De inhoud ervan verschilt door het jaar heen en is afhankelijk van de indeling van het zogenaamde kerkelijk jaar. De belangrijkste indeling is het Proprium de Tempore, het eigene van de tijd, met de drie kringen rond de hoogfeesten van Kerstmis, Pasen en de tijd na Pinksteren. Een tweede indeling, het Proprium de Sanctis of het eigene der heiligen, loopt daar doorheen en viert de feesten van de heiligen. Kerkelijke taal was het Latijn. Meer informatie: klik hier

Het liedrepertoire voor de liturgie was het Gregoriaans. Het Gregoriaans kun je definiëren als de eenstemmige, recitatieve Latijnse zang in de christelijke kerk, die zich in de eerste eeuwen na Christus ontwikkelde.

  • Het Gregoriaans is genoemd naar Paus Gregorius II (ambtsperiode: 715-731). Het aandeel van Gregorius wordt nu wat bescheidener ingeschat dan vroeger. Hij zou de Gregoriaanse muziek hebben verzameld en geordend. Waarschijnlijk hebben zijn pauselijke voorgangers daartoe ook bijgedragen, evenals de musici uit de Schola Cantorum van Gregorius (het trainingsinstituut voor kerkelijke zangers, de zogenaamde cantors).

Door de verbreiding van het christendom over Europa (vooral dankzij Karel de Grote –800 n. Chr.-, die de ontwikkeling van rijk en kerk stimuleerde: Karolingische renaissance) ontstonden overal kloosterabdijen en kloosterorden van waaruit het Gregoriaans zich verder verbreidde en waar het door velen theoretisch werd beschreven, o.a. door Guido van Arezzo (ca. 1000 - ca. 1050).
Melodieën werden mondeling overgeleverd. In de 9e eeuw ontstaat er een vorm van muzieknotatie: met kleine tekens (neumen) boven de tekst wordt aangegeven of een melodie stijgt of daalt. Dit neumenschrift ontwikkelt zich verder. Hieronder van links naar rechts de basisneumen punctum, virga, pes, clivis, torculus, porrectus, climacus en scandicus. Een neum is een noot of een groep van noten die bij één lettergreep horen. Dat kan dus één enkele noot zijn, maar net zo goed een melisma van tien of twintig noten. Neumen geven geen toonhoogte aan, maar alleen richting. De muzieknotatie heeft niet alleen een praktische maar ook kerkpolitieke kant: een poging eenheid liturgie en gezangen in het Frankische koninkrijk te scheppen!

Klik hier om een voorbeeld te zien van verschillende notatiewijzen van het Gregoriaans

Het is nu wel zeker dat er verband bestaat tussen het Gregoriaans en de psalmodie in de joodse eredienst. Een psalmodie is een onberijmd gezongen psalm (een lied uit de Bijbel) uitgevoerd door een cantor (=voorzanger) op een reciteertoon met vele melismen (meerdere tonen op één lettergreep; melismatisch versus syllabisch). De eerste christenen zullen door deze manier van zingen ongetwijfeld beïnvloed zijn. Tegerlijkertijd zal de niet-joodse, romeins-griekse muziekcultuur van invloed zijn geweest op het zingen van de eerste christenen, al is hierover niet veel bekend. Hieronder een fragment van een joodse psalmodie en vervolgens een fragment van een Gregoriaanse melodie.

psalmodie_gregoriaans (14K)

Zowel de psalmodie als het Gregoriaans wordt eenstemmig en onbegeleid (= monofoon) uitgevoerd.

1.4.1 Bloeiperiode Gregoriaans
Het Gregoriaans was tot voor kort dé kerkzang van de rooms-katholieke kerk. Overigens is het aandeel van het volk in het zingen tijdens de Mis steeds kleiner geworden. Zo rond 500 na Chr. zingt de kerkelijke gemeente de vaste onderdelen van de Mis (zoals Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Benedictus, Agnus Dei), maar omstreeks 800 wordt er in de bronnen telkens benadrukt dat de gemeente toch vooral het Sanctus en het Credo mee moet zingen. Deze aansporingen lees je tot in de 12 eeuw. Het langst heeft de gemeente het Sanctus en het Agnus Dei meegezongen. Een koor, de schola cantorum, nam het zingen van de gemeente over.

De bloeiperiode van het Gregoriaans loopt ten einde met de invoering van de eerste meerstemmigheid in de 13e eeuw. In het midden van de 19e eeuw is er weer een opleving met als resultaat de uitspraak in de pauselijke encycliek uit 1903 (Motu proprio) waarin het Gregoriaans tot de volmaakste vorm van kerkzang werd uitgeroepen.

vorige | volgende