Hoofdstuk 2: het wereldlijke lied in de middeleeuwen (400 - 1450)
2.1 Inleiding
Naast het Gregoriaans, het geestelijke kunstlied, kende de middeleeuwen ook wereldijke liederen. In dat verband is de opkomst van de opkomst hofcultuur van belang. Hoven met hun culturele exclusieve activiteiten waren er door geheel Europa. Muziek was er belangrijk en de aristocratie nam deel aan de uitvoering en compositie van wereldlijke werken. Voorbeelden ervan zijn te vinden in de muziek van de troubadours en de trouvères, aan het begin van de 12e eeuw. In de 14e eeuw werd de polyfone schrijfwijze onderdeel van de wereldlijke composities. Wereldlijke polyfonie werd eerder geproduceerd door goed getrainde musici dan door de aristocratie.

Vanaf de 9e eeuw ontstaan de nationale literaturen. De eerste grote uitingen daarvan zijn het heldendicht ‘La chanson de Rolland’ (einde 11e eeuw) en het germaanse epos ‘die Nibelungen’ (13e eeuw). Het is ook de tijd van het leenstelsel en van de ridderstand, waarin hoofsheid en minnedienst karakteristiek zijn. “Deze verfijnde, vrome wereld met haar aristocratische liefdespoëzie vormen de achtergrond van het middeleeuwse kunstlied. In de inhoud ging het niet om individuele ontboezemingen. Het ging om een gemeenschappelijk ideaal, de hoofsheid (cortezia) en de fin 'amor, de hoofse liefde: de man onderwerpt zich aan de vrouw, "neemt haar" niet zomaar, maar ontwikkelt zijn verliefdheid, cultiveert deze (tot in het ziekelijke toe), stelt deze uit, zonder de bevrediging te proeven. Het is de principieel onvervulde (of pas na veel moeilijkheden vervulde) liefde, de verborgen en heimelijke liefde. Het volgende verhaal over de edelman Jaufre Rudel (1e helft 12 eeuw) illustreert dit. Jaufre was verliefd op de gravin van Tripoli die hij echter nooit had gezien, maar van wie hij alleen verhalen had horen vertellen van pelgrims uit Antiochië. “

  • "Omdat hij haar wilde zien, ging hij op kruistocht. Aan boord van het schip werd hij ziek, en zo goed als dood werd hij in Tripoli naar een herberg gebracht. Men liet de gravin van zijn aanwezigheid weten; en zij kwam naar hem toe, aan zijn bed, en nam hem in haar armen. Hij wist dat het de gravin was en direct herstelden zijn oog en reuk [kwam hij tot bewustzijn]. En hij prees God omdat deze hem in leven had gelaten totdat hij haar had gezien. En aldus stierf hij in haar armen. Zij liet hem met veel eerbetoon begraven in het huis van de Tempel, en dezelfde dag nog ging zij in een klooster vanwege het verdriet dat ze om zijn dood had. (Peter Lurvink)"

Rondbrengers van dit lied zijn de dichter-zangers: minstreels, jongleurs, troubadours en trouvères (in de latijnse landen), Minnesänger (in de germaanse landen) en Meistersinger (in Duitsland).

terug naar menu | volgende