Hoofdstuk 2: het wereldlijke lied in de middeleeuwen (400 - 1450)
2.2 Troubadours, trouvères en Minnesänger

2.2.1 Minstreels, jongleurs
  • Professionele musici op weg van stad tot stad, van kasteel tot kasteel.
  • Zanger en instrumentalist tegelijk.
  • Organiseerden zichzelf in gilden voor een professione training.
  • Zongen en speelden muziek door anderen gecomponeerd.
2.2.2 Troubadours en trouvères: uitvinders van het lied
Troubadours (man) en trobairitz (vrouw) waren te vinden in Zuid-Frankrijk, die langue d'oc (Occitaans) spraken.
De trouvères uit noord-Frankrijk spraken langue d'oïl, de taal die overging in het moderne Frans.

Zowel de troubadours als de trouvères bewogen zich in aristocratische kringen; sommige waren zelf van aristocratische afkomst. Belangrijke troubadours waren Raimbaut de Vaqueiras en Bernard de Ventadour. Belangrijke trouvères waren Adam de la Halle en Blondel de Nesles. Hun repertoire bestaat uit onder meer minneliederen (hoofse liefde), klaagliederen (over dode helden), pastourelles (herdersavonturen), sirventes (met moraliserende inslag; over politieke gebeurtenissen).

2.2.2.1 Liedvormen
Er zijn veel teksten bewaard gebleven. Relatief weinig melodieën zijn overgeleverd. Van die melodieën bestaan er verschillende versies (vanwege kopiefouten). De meeste liederen zijn strofeliederen, d.w.z. liederen waarvan alle coupletten op dezelfde melodie worden gezongen. Deze melodie heeft (vooral bij de Minnesänger: zie hieronder) vaak een zogenaamde tweedelige Bar- of canzonevorm. In schema: s – s – a of s – s – a – s met s = Stollen (de Stollen worden dus herhaald en heten dan Gegenstollen; Stollen en Gegenstollen worden samen Aufgesang genoemd) en met a = Abgesang (die meestal uitloopt in een melodie die je aan het slot van de Stollen aantreft). Een voorkomende variant is ook: s - a – a (omgekeerde barvorm).

Een bekende melodie in Barvorm is ons Wilhelmus van Nassouwe. Hieronder een melodie van dichter-musicus Walther von der Vogelweide (over wie verderop meer):

bar (9K)

Daarnaast komen voor:

  • Het litanie-type: elk vers wordt op dezelfde melodie gezongen; deze melodie eindigt met een open slot, behalve bij de laatste herhaling ervan: dan is er een definitieve afsluiting.
  • Het rondellus-type voor (ballade, virelai, rondeau) met de afwisseling tussen refreingedeelten en niet-refreingedeelten.
  • Het sequentia-type: een keten van een melodie (met open afsluiting) en haar herhaling (met een definitieve afsluiting); dus: aa’-bb’-cc’…zz’.

2.2.2.2 Ritmische interpretatie
Ritmische aanwijzingen ontbreken, maar sommigen nemen aan dat er sprake was van een driedelige modale ritmiek, analoog aan de versvoeten in de dichtkunst:

ritmische_modi (11K)

Anderen delen de opvatting dat er sprake is van een declamatorisch ritme, het ritme dat ontstaat bij het declameren van een tekst. Niet alle teksten zullen gezongen zijn en veel teksten werden geschreven op al bestaande melodieën, ontleend aan volks- en dansmuziek. Men maakte m.a.w. contrafacten ofwel parodieën. De uitvoering van een lied werd vaak voorafgegaan door een vida (levensbeschrijving van de troubadour) en een razo (toelichting op het lied). De melodie werd door een of meer instrumenten op een vrije manier meegespeeld, hetgeen leidt tot een vorm van heterofonie

2.2.3 Minnesänger en Meistersinger
In de germaanse landen waren er de Minnesänger. Hun kunst is beïnvloed door die van de troubadours: een profane ridderlijke zangkunst ontstaan uit de hoofse cultuur. Muzikaal-technisch gezien is er van een sterke invloed sprake vanuit het Gregoriaans en het volkslied. Zelfs het Gregoriaanse melos werd geciteerd. Ook zijn de liederen van de Minnesänger vaker in de oude kerktonen gezet dan die van de troubadours, die meer majeur en mineur georiënteerd zijn. Over de gebruikte ritmiek is er geen consensus: sommige geleerden denken aan een vrijzwevende ritmiek zoals bij het Gregoriaans, andere experts aan modale ritmiek, al dan niet driedelig. Belangrijke figuren zijn Walther von der Vogelweide, Wolfram von Eschenbach en Heinrich van Veldeke. Hun repertoire bestaat uit liederen over ridderlijke idealen, liefde en hoofse minne, natuur en levenswijsheid en kruistocht- en Marialiederen

De dichters-musici maakten zelf hun melodieën. Zij kunnen echter ook gebruik hebben gemaakt van het bestaande liedrepertoire: geestelijke liederen (die ze dan van nieuwe tekst voorzagen - contrafacten) en populaire volksliederen. Over het ritme van hun melodieën valt evenals bij hun Franse collega’s niet veel te zeggen. De liederen werden door de dichters-musici zelf uitgevoerd, waarbij mogelijk speellieden hen op de vedel, harp en luit begeleidden op een heterofone wijze.

In de 15e eeuw waren het de dichtende en de componerende ambachtslieden die - na de opkomst van de burgerij – de kunst van Minnesänger voortzetten, veelal georganiseerd in een gilde. In hun liederen verwerkten deze Meistersinger bijbelse of politieke thema’s volgens zeer strenge kunstregels (“Tabalatur”). Was je in staat zulke liederen te maken dan kwam je in aanmerking voor de titel ‘Meester’. Muzikale voorkeur bestond er voor de kerktoonsoorten. Evenwel kwamen majeur en pentatoniek ook voor. De meesterzangers hanteerden de Barvorm, echter in een driedelige variant: AA-B-A. De Stollen werden herhaald na het Abgesang. Neurenberg was een centrum voor de meesterzangers, waar de belangrijkste meesterzanger Hans Sachs actief was. Zijn leven inspireerde Wagner tot het schrijven van zijn opera ‘Die Meistersinger’, die op 21 juni 1868 in première ging.

Hieronder een lied van Sachs in Barvorm:

bar_sachs (14K)

Luisteropdracht

Audio:www.naxosmusiclibrary.com, CD code: 8.554257, track 11, Bernart de Ventadorn, Can vei la lauzeta mover
Audio:www.naxosmusiclibrary.com, CD code: 8.553442, track 3, Blondel de Nesle, A l'entrant d'este

Can vei la lauzeta mover
Can vei la lauzeta mover
De joi sas alas contra .l rai,
Que s'oblid' e .s laissa chazer
Per la doussor c'al cor li vai,
Ailas! quals enveja m'en ve
De cui qu'eu veja jauzion!
Meravilhas ai, quar desse.
Lo cors de dezirer no 'm fon
Als ik de leeuwerik aanschouw,
die opklimt in een zonnebaan
maar neerstort uit het hemelbauw:
van hartelust te zeer ontdaan...
hoe knaagt mij dan de afgunst, op
elkeen die lust kent en jolijt;
en welk een wonder dat daarop
mijn hart niet van verlangen splijt!
Ailas! tan cuidava saber
D'amor no .m posc tener
Car eu d'amar no .m posc tener
Celeis don ja pro non aurai.
Tout m'a mon cor, e tot lo mon;
E me mezeis e tot lo mon
E can se .m tolc, no .m laisset re
Mas dezirer ecor volon
En ik, die dacht van liefde en trouw
zoveel te weten! Welk een waan:
buiten mijn wil min ik een Vrouw
die mij voorgoed berooid liet staan.
Ze roofde zelfs mijn harteklop,
haar én mezelf ben ik nu kwijt.
Al wat ik had raakte in het slop,
mij rest slechts hunkering en spijt.

(vertaling Ernst van Altena)

vorige | volgende