Hoofdstuk 3: Het ontstaan van polyfonie in de muziek van de 13e eeuw
3.3 Vroege meerstemmigheid
De meerstemmigheid, een van de meest in het oog springende kenmerken van de Westerse muziek, heeft zich dus niet ontwikkeld in de wereldlijke muziek maar in de kerkmuziek. Een van de vroegste beschrijving is te vinden in de 'Musica Enchiriadis' (rond 890), ontstaan in het kloostermilieu. Dit anonieme traktaat is geen verzameling composities maar een beschrijving van de wijze waarop een meerstemmige versiering van het Gregoriaans kan worden ge´mproviseerd. Meerstemmig versierd Gregoriaans wordt organum genoemd. Bij dat versieren is het belangrijk dat bepaalde imperfecte samenklanken worden voorkomen. Met name de tritonus (overmatige kwart, verminderde kwint) was zo'n imperfecte samenklank, die veelzeggend genoeg de "diabolus in musica" werd genoemd. Het zijn de samenklanken die zich niet in eenvoudige getalsverhoudingen laten uitdrukken. De samenklanken die wel in aanmerking komen, zijn uiteraard de al door Pythagoras juist om hun mooie getalsverhoudingen als perfect bestempelde: octaaf, kwint en kwart (1:2:3). Zo worden ze ook beschreven in dit traktaat: het octaaf klinkt het meest open en is daarom de eerste en belangrijkste samenklank. De kwint komt als tweede, de kwart als derde. Het zijn de samenklanken die tot aan de Renaissance allesbepalend zouden zijn.

3.3.1 Parallel organum
De basis van de in de Musica Enchiriadis beschreven meerstemmige versiering is het parallel organum: een bestaande melodie wordt enkele tonen hoger of lager verdubbeld. De tegenmelodie heeft dus evenveel noten als de oorspronkelijke melodie (noot tegen noot, punctus contra punctum: 'contrapunt').
Hieronder een voorbeeld van een parallel organum zoals beschreven in de Musica Enchiriadis. De Gregoriaanse melodie (vox principalis) wordt begeleid door een tweede stem (vox organalis) die een kwart of kwint lager ligt, in het voorbeeld een kwart hoger lager. Je ziet ook dat de de vox principalis en de vox organalis verdubbeld zijn, d.w.z. ze klinken nog eens een octaaf hoger of lager.

parallel_organum (9K)

3.3.2 Zwevend organum
Een tweede vorm in de Musica Enchiriadis is het zogenaamde zwevende organum met aan begin van een organumábijv. achtereenvolgens een prime, secunde en een terts, daarna pas de parallelle kwarten/kwinten. Het einde ziet er dan uit als een omgekeerd begin: van kwart/kwint naar prime. De techniek van de zijdelingse beweging wordt ge´ntroduceerd.

zwevend_organum (11K)

Men kan zich afvragen of we hier wel van meerstemmigheid moeten spreken. Het gaat immers om dezelfde melodie een aantal tonen hoger of lager. De toegevoegde tegenstem is melodisch en ritmisch niet zelfstandig. Omdat deze meerstemmigheid werd ge´mproviseerd (dus niet genoteerd), zijn er tot halverwege de elfde eeuw geen manuscripten met meerstemmige composities.
De belangrijkste ontwikkeling tussen de late 9e en de 11e eeuw is de melodische en ritmische emancipatie van de versierende tegenstemmen. Waar in het oude, strikt parallelle organum de versierende tegenstem doorgaans niets anders is dan een transpositie van een gegeven Gregoriaanse melodie, wordt uit het geringe aantal latere beschrijvingen van meerstemmigheid duidelijk dat parallelle beweging, tegenbeweging en stemkruising steeds belangrijker werden. De toegevoegde stem won dus aan melodische zelfstandigheid. Met de toenemende complexiteit van het versierde Gregoriaans ontstaat ook de neiging om deze gezangen op te schrijven. Het Winchester Troparium (▒1050) is de vroegste bron van genoteerde organa. Dit manuscript werkt nog met (moeilijk te ontcijferen) neumen. Het vormt aldus een overgangsstadium van ge´mproviseerde naar genoteerde en gecomponeerde meerstemmigheid. Ook verschijnen soms korte melismatische versieringen in de aan het Gregoriaans toegevoegde stem. Daarmee krijgt ook een eerste ritmische differentiatie vorm tussen oorspronkelijke melodie en versierende tegenstem.

3.3.3 Melismatisch organum
Uit de manuscripten van het Saint Martial-repertoire (Saint Martial was een klooster in Limoges, waarvan het repertoire meestal in de tweede helft van de twaalfde eeuw wordt geplaatst) blijkt dat, naast de oudere 'noot-tegen-noot-stijl' of discant-stijl, zich het zogenaamde melismatisch organum heeft ontwikkeld: de Gregoriaanse melodie ligt in de laagste stem (de tenor, vgl. Lat. tenere). De noten van deze melodie worden uitgerekt terwijl de bovenstemmen daar lange frases tegenaan zingen.

Hieronder een voorbeeld van een melismatisch organum. Vermoedelijk werden de lange noten van de tenor met een strijkinstrument gespeeld of aangehouden met meerdere zangers.

melismatisch_organum (5K)

Het organum krijgt aldus een nieuwe variŰteit. Meerstemmige versiering blijkt overigens een solistenkunst te zijn. Het zijn de solistische passages die meerstemmig worden versierd.

3.3.4 Kenmerken 11e eeuw organum

  • Vox organalis zingt gewoonlijk boven de vox principalis.
  • De 2 stemmen kruisen elkaar regelmatig.
  • Voorkeur voor perfect consonanten (prime, octaaf, kwart en kwint), in ieder geval op rustpunten; andere intervalllen klinken incidenteel.
Solostemmen zongen organa in de mis en de getijden

vorige | volgende