Middeleeuwen (600-1400)
Muzikale stijlkenmerken middeleeuwse eenstemmigheid

Stylus Gregoriaans: eenstemmig vocaal
Troubadours/ trouvéres: eenstemmig vocaal, soms begeleid door een instrument
Toonomvang ongeveer een octaaf
Toonstelsel kerktoonsoorten of modi
Melodievorming (toonhoogte) De zang is voornamelijk éénstemmig. Daarbij maken we onderscheid tussen syllabische (één toon per lettergreep) en melismatische (meer tonen per lettergreep) gezangen.
Ritmiek In veel muziek uit de middeleeuwen ontbreekt een strakke maatindeling. We spreken dan van vrij ritme, dat o.a. wordt bepaald door de tekst (Gregoriaans, troubadours en trouvéres) We spreken van modaal ritme als de klassieke versvoeten als jambe, dactylus enz. dienen als ritmische basis. De maatvoering is voornamelijk driedelig, pas in de 14e eeuw (Ars Nova) wordt de tweedelige maatsoort naast de driedelige gebruikt. Ook laat men vanaf die tijd steeds meer de versvoeten los als basis voor het muzikale ritme. Tevens uitbouw van het ritmisch systeem met kleinere notenwaarden.
Samenklank Orgelpunt en bourdon spelen een belangrijke rol, wanneer de zang of de dansmelodie begeleid wordt door instrumenten. Bij een orgelpunt klinkt alleen de grondtoon, bij een bourdon klinken de grondtoon en kwint samen. De melodieën zijn in principe éénstemmig, maar kunnen improviserend worden omspeeld. Ook kan op een vrije manier met de melodie van de zang meegespeeld worden (heterofonie).
Genres en vormen Gregoriaans; dansliederen en instrumentale dansmuziek (estampie)

Muzikale stijlkenmerken middeleeuwse meerstemmigheid

Stylus Vroege meerstemmigheid: tweestemmig polyfoon
Ars Antiqua/ Ars Nova: verdere ontwikkeling polyfonie (drie-en soms zelfs vierstemmig)
Toonomvang ongeveer een octaaf
Toonstelsel kerktoonsoorten of modi
Melodievorming (toonhoogte) Verschillende bewegingstypen: parallelle, zijdelingse en tegenbeweging van de melodieën ten opzichte van elkaar.
Ritmiek Er is sprake van een modaal ritmiek met de klassieke versvoeten als jambe, dactylus enz. als ritmische basis.
De maatvoering is voornamelijk driedelig, pas in de 14e eeuw (Ars Nova) wordt de tweedelige maatsoort naast de driedelige gebruikt. Ook laat men vanaf die tijd steeds meer de versvoeten los als basis voor het muzikale ritme. Tevens uitbouw van het ritmisch systeem met kleinere notenwaarden.
Samenklank De kwart en de kwint zijn de belangrijkste intervallen. Er wordt nog sterk in horizontale melodielijnen gedacht (lineaire polyfonie). Vanaf de Ars Nova krijgt de verticale samenklank meer nadruk. Ook worden de terts en de sext als interval steeds vaker gebruikt.
Genres en vormen Drie-vierstemmig organum en motet, organum, motetus, hocquetus, ballade, rondeau en virelai (Frankrijk) en ballata, caccia en madrigaal (Italië).



terug naar menu